Onverwachte ontmoeting - kort verhaal

Het is feitelijk gekkenwerk. Slechts 45 minuten heeft de duikles in het zwembad van Boca Chica geduurd en zojuist heb ik mijn handtekening gezet onder een ‘diepzeeduikovereenkomst’, waarmee ik de organiserende duikinstructeur vrijpleit van elke aansprakelijkheid. Een formaliteit, zo verzekert hij ons.

Over een uur vindt De Duik plaats. Eén kilometer uit de kust, op vijftien meter diepte. Ik ben iemand die zich pas zorgen maakt wanneer de catastrofe zich aandient. Om de rampspoed vervolgens te relativeren tot behapbare proporties. Zo ben ik. Een tamelijk onvoorbereide duik in de Caraïbische Zee is voor mij niets anders dan het meebewegen met de momenten die zich aandienen. Ik ben, al zeg ik het zelf, de ideale mindfulness-kandidaat.

Een uur later. De golven slaan schuimend over de boeg van het wankele bootje. De binnenkant van mijn handpalmen is vochtig en dat is niet door het zeewater. Mijn maag golft mee met de deining van de zee. Fuck mindfulness. Ik wil niet meebewegen met het moment. Ik wil eruit stappen. Nu. Ik peil de gemoederen van de andere deelnemers. Twee vrouwen van eind twintig bespreken een familiekwestie alsof ze op een terrasje in Appingedam zitten. De duikinstructeur kijkt met een neutrale blik over de zeespiegel. Ik probeer zijn gezicht te lezen, maar het kan werkelijk alle kanten op. Ik zie de vingers van de man tegenover me de zitting van het houten bankje omklemmen. Zie je wel?

We liggen voor anker. De golven schuimen niet langer nu we verder uit de kust zijn. De deining daarentegen is grootser, alsof de zee zijn onaantastbaarheid wil onderstrepen. De duikinstructeur geeft de laatste aanwijzingen, in een mengeling van Spaans en Engels. Zijn waarschuwingen stellen me allesbehalve gerust. Ik buig over de rand van de boot en probeer de diepte van de zwart-blauwe watermassa onder ons nietige schuitje in te schatten. Het is alsof ik op de dakrand van een tienverdiepingentellend flatgebouw sta. Een duizeling trekt onder mijn hersenpan door. Ik kan ook aan boord blijven. Maar één blik op de tandenloze grijns van de bootsman is voldoende. Eén-twee-drie-in godsnaam.

Ik zak af langs het ruwe touw. Ik durf niet naar de diepte onder mij te kijken, noch naar het lokkende licht boven mij, dat steeds zwakker wordt. Het felgele zonlicht is verwaterd tot een lichtblauw schijnsel.  Deze vuist onder deze vuist en zo ga ik naar beneden. Ik verdring het zorgeloze kinderrijmpje, dat totaal ongepast is nu mijn laatste uur heeft geslagen. Het lood aan mijn gordel trekt me als een sluipmoordenaar naar de bodem van de zee. Mijn voeten zoeken houvast in het mulle zand, maar mijn zwemvliezen zijn duidelijk niet bedoeld voor een voorzichtige wandeling over de zeebodem. Mijn mededuikers zweven en buitelen uitdagend om me heen. Bij nader inzien mag ik ze niet. Ik besluit te blijven waar ik ben, dichtbij het uiteinde van het levensreddende touw, dat ik voor de zekerheid met één hand vasthoud. Mijn ademhaling zit te hoog.

Op dat moment komt het-hulpje-van-de-duikinstructeur naar me toe flipperen. Hij maakt een rondje met zijn wijsvinger en duim. Mijn god, waar stond dat gebaar voor? Was het een nul? Een letter o? Van opdonderen? Ik weet het niet meer. Mijn ademhaling gaat nog sneller en ik word licht in mijn hoofd. Hoe diep moet een mens gaan? Ik kijk omhoog naar het lichtblauwe schijnsel en capituleer. Ik grijp het touw met beide handen. Wil meter voor meter naar boven klauwen, maar krijg een harde tik op mijn vingers van het ‘hulpje-van’. Zijn strenge, zwarte ogen grijpen mijn blik en hij leidt mijn handen decimeter voor decimeter over het touw. Deze vuist op deze vuist, zo was het. Ter voorkoming van dodelijke belletjes in essentiële bloedvaten. Ome Willem helpt me veilig naar het wateroppervlak en ik grijp gretig de ruwe handen van de bootsman. Ik kijk hem dankbaar aan en verdrink in zijn zachtaardige ogen.

Het was een confronterende ontmoeting. Ik ben zojuist mezelf tegengekomen. O ja, en een paar vissen.

Niet meer dan een nummer - inzending Editio Schrijfwedstrijd

‘Ik ben je vader niet.’

Vijf woorden, één diepe zucht en daarna stilte. Doodse stilte. Zijn ademhaling lijkt gestopt, de mijne is het zeker. Mijn hart daarentegen bonst met snelle slagen tegen de binnenkant van mijn ribbenkast aan. Over die van hem heb ik grote twijfel.

O. Mijn. God.

Een toenemende druk op mijn borst dwingt mijn luchtwegen zich weer open te stellen. Mijn blik glijdt af naar zijn borstkas, die zoëven nog hijgend op en neer ging en zoomt in met de precisie van een Nikon-camera. Geen beweging.

Ik heb hier geen ervaring mee, maar het is vrij aannemelijk dat ik nog geen tien seconden geleden voor het eerst in mijn leven iemand dood heb zien gaan. Een persoon die ik mijn hele leven heb gekend, tot het moment waarop hij zijn laatste adem uitblies. Ik heb zojuist een vader verloren die ik nooit gehad blijk te hebben.

 

‘Ik weet het niet.’

Vier woorden, zonder betekenis. Haar gezicht spreekt des te meer. Ik zie het schuldgevoel dat als een sluier over haar gelaat valt. De blik, naar beneden gericht, verraadt dat ze donders goed weet wiens zaadcel mij tot leven heeft gewekt.

Ga ik haar onder druk zetten? De enige, van wie ik zeker weet dat ze mijn bloedverwant is? In onzekere tijden komt het aan op verwantschap. Zij is mijn enige houvast.
‘Het is niet erg, mama, ik kan het aan. Wie is mijn vader?’

‘Ik heb het te diep weggestopt. Ik ben het kwijt.’

 

Kees van Dam 3813667.

Drie woorden. En een nummer. Verstopt op een plek waar zelfs een politiehond niet op gekomen zou zijn. In een Zwaluw lucifersdoosje op HR-ketel in het CV-hok. Ze heeft destijds niets aan het toeval overgelaten. Zo ken ik haar weer.

Sinds ik haar De Vraag stelde, drie weken geleden, is ze zichzelf niet. Ik confronteerde haar er niet mee op de dag van zijn dood. Zo ben ik dan ook weer. Ik wachtte bewust een week, zeven dagen, zeven maal vierentwintig uur, een eindeloze honderdachtenzestig uur lang. Om haar.

Zijn ziekteproces had ons ertoe gedwongen te beginnen met rouwen om het aangekondigde einde, nog voordat dat zich aandiende. Op het moment suprême kwam de klap desondanks hard aan. Bij haar. Alsof ze het niet had zien aankomen. Maar na een week krabbelde ze enigszins op en kon ze zich troosten met de bekende oneliners.

‘Hij heeft tenminste geen pijn meer’ en ‘die laatste weken hebben ons dichter bij elkaar gebracht dan ooit’.

Een treffender aanknopingspunt zou niet zo snel meer langskomen, dus ik zei voorzichtig dat ik me verder van mijn familie verwijderd voelde dan ooit. Haar vragende blik beantwoordde ik met zijn laatste woorden.  Sindsdien is ze nog meer van de kaart dan toen zijn kist het gedolven graf in zakte.

 

Loslaten. Hoewel ik haar een betere gemoedsrust gun, moet ik aan mezelf denken. Ik kan haar ontwijkende blik en nerveuze kuch er nu niet bij hebben. Het Antwoord moet eerst op tafel komen. Zij heeft vijfendertig jaar geleden besloten om haar selectieve geheugen op te bergen in een kluis zonder sleutel. Het komt nu aan op mijn inventiviteit.

Maar na de euforie van de vondst van het opgevouwen blocknoteblaadje volgt al snel de deceptie. Facebook toont 1.167 hits als ik zijn naam intype. Aanvankelijk zie ik in vrijwel alle mij aanstarende zestigplussers een glimp van mezelf. Na 38 pagina’s scrollen twijfel ik juist bij elke foto. Na 102 pagina’s geef ik het op.

Het nummer dan. Een nummer is tenslotte een unieke aanduiding van iets, of in dit geval van iemand.

Google geeft niet thuis als ik het nummer intype, gevolgd door het woord ‘telefoonnummer’.

Bij de bank mogen ze ‘vanuit privacy-oogpunt niet zeggen bij wie dit rekeningnummer hoort, maar ik kan u wel vertellen of het nummer in gebruik is of niet’. De dame aan de telefoon klinkt te opgetogen als ze me de uitkomst vertelt. Bij nader inzien mag ik haar niet.

Ik probeer BSN-nummer, paspoortnummer, donorcodicilnummer, Bonuskaartnummer,  in godsnaam. 

Geen resultaten.

 

Een half jaar later. Ik zit naast het bed dat in de woonkamer bij het raam staat. Haar smalle hand ligt roerloos op het gestreepte dekbed. Ik leg mijn hand op de hare, die te koel aanvoelt. Vanochtend heeft ze even haar ogen opengedaan, maar dat is alweer drie uur geleden. Alleen als ik in korte staccato zinnen iets in haar oor zeg, gaat er soms één oog open, vermoedelijk zonder iets te zien.

Ik heb het zo lang mogelijk uitgesteld, wil haar niet onrustig maken. Maar het is nu of nooit.

Ik stel de vraag. Vier woorden, voorafgegaan door ‘mama’. Het is alsof ze erop heeft gewacht. Beide ogen openen zich, haar wijsvinger wijst naar haar lippen. Ik moet dichterbij komen, het volume van haar stem is inmiddels gereduceerd tot een nauwelijks hoorbare luchtverplaatsing. Ik hang mijn oor boven haar mond en streel haar hand.

‘Toe maar, mama, zeg het.’

Ze fluistert een hele zin, en nog een. Meer dan ze in drie dagen heeft gedaan. Mijn ogen prikken. Ik slik iets weg wat er niet zit. Dan is het stil.

 

Kees van Dam, haar klaarblijkelijke basisschoolvriendje, met het huistelefoonnummer dat al jaren niet meer bestaat, hij is het niet.

Ik open mijn laptop en ga op zoek naar degene die zich sterk heeft gemaakt voor het verbod op anonieme spermadonoren. Die verdient met terugwerkende kracht een medaille. Al kwam het voor mij te laat. Ergens in mij borrelt plotseling een onweerstaanbare behoefte op om diens achternaam te mogen dragen.