Valpartij

Ik ben gevallen met mijn fiets. En dat is niet de eerste keer. Een paar maanden geleden overkwam het me ook al. Maar toen was het een eenzijdig ongeval, waarbij mijn achterwiel uit het niets weggleed op het natgeregende wegdek van een straat waar ik dagelijks fiets en nog nooit ben gevallen. Een nogal pijnlijke duim was het resultaat. Maar omdat ik hem nog kon bewegen, besloot ik dat het inschakelen van medische hulp wat overtrokken was. Het gevolg: een duim die nu, enkele maanden later, niet meer in de vrolijke ‘steek-je-duim-maar-op-stand’ wil, omdat hij een beetje krom is blijven staan.
 
Ook ben ik wel eens over mijn stuur gelanceerd, omdat ik vanaf een fietspad de verkeerde weghelft van een lege straat opsjeesde en plotseling werd geconfronteerd met een auto die uit een zijstraat kwam en die mij niet aan die kant van de weg had verwacht. Een tip: je moet niet heel plotseling en tegelijkertijd heel hard beide handremmen inknijpen. Na een sierlijke duik over mijn stuur ving ik de landing met beide handen op. Een maand later voelde ik de klap nog, getuige mijn pijnlijke ribben.
 
Maar dit keer was het een ander die de hand had in mijn valpartij. Ik fietste vrijdag na mijn werk door de regen en in het donker naar huis. Doornat en slechts drie straten verwijderd van ons warme, droge stulpje zag ik, vlak voor me, plotseling een portier van een geparkeerde auto openzwaaien. Op een afstand waarvan je weet, die kan ik niet meer ontwijken. Natuurlijk gooide ik mijn stuur naar links, maar de klap was onvermijdelijk. En je weet, dat vallen duurt lang, heel lang. Althans zo lijkt het.
Ik bedacht me, ik ga dit keer voor een sportieve judorol en ik kromde mijn rug terwijl ik het asfalt dichterbij zag komen. Het pakte behoorlijk goed uit. De eerste twee, drie seconden voelde ik niets, maar zag ik slechts de boodschappen uit mijn fietstas over het natte wegdek schuiven.
De chauffeur stapte geschrokken uit en ook een automobilist die langsreed stopte en sprong uit zijn auto.
‘Gaat het?’ vroeg de eigenaar van het autoportier dat mij zo onbarmhartig van mijn fiets had geslagen.
‘Sukkel!’ Het floepte er zomaar uit, maar twee seconden later was mijn redelijkheid alweer terug: ‘Ik reed zonder licht, we zijn allebei fout.’ Zo ben ik dan ook weer.
De chauffeur van de stilgezette auto raapte ondertussen mijn boodschappen van de straat. Pas toen voelde ik een scherpe pijn aan de zijkant van mijn nek. Een zijwaartse whiplash?
‘Moet ik je thuisbrengen?’ Ik krabbelde overeind, voelde me duizelig en wilde in het niets verdwijnen en zeker niet in de auto van iemand met wie ik dan ook nog wat beleefdheden moest uitwisselen. Naar huis, ik wil alleen maar naar huis, dacht ik. ‘Ik ga zelf wel, ik woon hier vlakbij,’ zei ik.
‘Weet je het zeker?’ Jahaaa (in mijn hoofd). ‘Ja hoor, het gaat wel.’ (uit mijn mond).
De boodschappen-opraper had intussen mijn fiets overeind gezet en alle boodschappen in de tas teruggestopt. De twee flessen wijn waren wonder boven wonder nog heel, maar het stokbrood in de papieren zak was nat en in tweeën geknakt.
‘Mijn stokbrood, neee!’ riep ik grappend om de situatie wat luchtiger te maken voor de twee bezorgde mannen. En daar ging ik, weg van deze genânte situatie. Om de hoek bleek mijn ketting van mijn fiets te liggen. Half lopend, half rennend, met het fietsstuur in mijn verkleumde handen, spoedde ik mij naar huis, want daar wilde ik zijn.
Eenmaal thuis zag ik pas het wondje in mijn nek en voelde ik een zwelling op dezelfde plek. Ik moet met mijn nek op de punt van het portier zijn geklapt, zonder dat ik dat door had gehad. Vandaar die pijn. Het had erger kunnen aflopen. Nog steeds wat onwel wilde ik maar een ding: op de bank met een glaasje wijn voor de troost. Uit de fles die wel ongeschonden uit de strijd was gekomen.
 
 
Het is nu zondag en mijn fietslamp is gemaakt.